Ad Verhoeven, voorzitter vakcentrale MHP, over Andere Overheid
Bijdrage aan het symposium van de CMHF op vrijdag 16 april 2004 te Scheveningen, thema 'Programma Andere Overheid in relatie tot medezeggenschap'
Op de eerste plaats onze dank aan de CMHF voor de uitnodiging een bijdrage te mogen leveren aan dit symposium. Gekozen is voor het thema 'Programma Andere Overheid in relatie tot medezeggenschap'. Oppervlakkig en taalkundig bezien zou je bijna op het puntje van je stoel gaan zitten van nieuwsgierigheid. Alsof een andere overheid iets gaat doen aan de verbetering van de in- en externe medezeggenschap van de medewerkers. Dat is helaas niet het geval, nadat we kennis hebben kunnen nemen van het betreffende visie- en actieprogramma 'Andere Overheid'. Deze constatering neemt natuurlijk niet weg dat het wel interessant is een symposium aan dit thema te wijden, maar de toon wordt logischerwijs wel wat kritischer.
Om die reden beperk ik mij vandaag ook niet tot het onderwerp medezeggenschap mede omdat ik middels verbreding wil aangeven hoe belangrijk en noodzakelijk medezeggenschap is bij het programma Andere Overheid. Ik zal dat doen aan de hand van circa vijf stellingen, die openstaan voor discussie.
In het Hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet wordt gesproken van de onderkenning van de noodzaak van een grondige herstructurering van de overheid. Het programma Andere Overheid speelt hierop in. Volgens dit herstructureringsprogramma dient de moderne overheid onder meer hoogwaardige prestaties te leveren daar waar publieke taken niet bij de markt of de civiel society kunnen worden neergelegd. Het kabinet wil ook terughoudender zijn in wat het regelt. De MHP heeft op zich geen bezwaar tegen minder regels en lagere administratieve lasten voor burgers en het bedrijfsleven, maar wel tegen de afbraak van verworvenheden van werknemers onder het motto van betere prestaties en minder regels.
In ruil voor dit streven belooft het kabinet ons onder andere meer zeggenschap en meer ruimte voor eigen initiatief. Welke zeggenschap en welke ruimte ? En wat verliezen werknemers aan rechten die ze nu nog wel hebben ? Meer markt en eigen initiatief houdt volgens ons bv. het risico in dat de sociale zekerheid verder wordt afgebroken, waardoor mensen die als gevolg van bv. ziekte of werkloosheid, wat ons allemaal kan overkomen, geen of lagere rechten hebben. Mensen zijn op zichzelf aangewezen en als ze dat niet kunnen, hebben ze pech. Er ontstaat een soort nachtwakerstaat, waarin de solidariteit is ontmanteld. Dit beeld is niet ons beeld van een welvarend land. Ongetwijfeld zullen individuen tot grote rijkdom kunnen komen, maar gezamenlijk wordt men er niet beter van.
Stelling 1: dit neoliberale kabinet ondermijnt de solidariteit door afbraak van de sociale zekerheid, waardoor grote groepen mensen in moeilijke omstandigheden het zwaar te verduren zullen krijgen. De armoede zal toenemen.
Stelling 2: dit kabinet wil in 2006 de administratieve lastendruk voor burgers en bedrijfsleven met 25% verminderd hebben. Op zich een lofwaardig streven, mede gelet op de besparingswinst. Niemand zal enig bezwaar hebben tegen het opruimen van overbodige of tegenstrijdige regelgeving. En evenmin tegen een effectievere en efficiënte overheid. Echter, dit project wordt ook aangehaald om een wijziging van de Arbeidstijdenwet te motiveren, als gevolg waarvan het beschermingsniveau en zeggenschap van werknemers over arbeids- en rusttijden afnemen. Onder het mom van minder regels tast de Andere Overheid de rechten van werknemers aan, terwijl ter bevordering van de combineerbaarheid van werk en privé er juist redenen aanwezig zijn werknemers meer zeggenschap over hun werktijden te geven, mede met het oog op de aanstaande vergrijzing.
Een Andere Overheid die beter presteert, zou ook een overheid moeten zijn die naar de lange termijn kijkt, voorspelbaar en betrouwbaar is. Daarvan is niet altijd sprake. Een voorbeeld is het ouderenbeleid van de overheid. Op verzoek van de politiek hebben de sociale partners de afgelopen jaren gewerkt aan het massaal omzetten van Vut- in prepensioenregelingen, afspraken voor de lange termijn. Amper voltooid worden we nu geconfronteerd met korte-termijn-ingrepen in afspraken waarvan de inkt nauwelijks droog is. Dat is niet bevorderlijk voor goede verhoudingen voor vandaag en morgen.
Stelling 3: de kabinetsvisie en het Actieprogramma Andere Overheid bieden geen of te weinig aangrijpingspunten dit langjarige euvel op te lossen.
Een van de vier actielijnen in het project is dat de Rijksoverheid van plan is haar relaties met provincies en gemeenten te vernieuwen. Dit houdt in dat het kabinet specifieke uitkeringen van departementen zal overhevelen naar het Gemeente- en Provinciefonds. Lagere overheden blinken de laatste jaren niet uit in kostenbeheersing, getuige de meer dan gemiddeld sterke stijging van lokale lasten, waarover burgers veel en in onze ogen terecht klagen. Bovendien bestaan grote en nauwelijks te verklaren verschillen in lasten tussen gemeenten voor in principe dezelfde diensten. Ook hiertegen ontstaan steeds meer bezwaren. In de kabinetsvisie wordt hieraan nauwelijks aandacht besteed. Waar zijn bewijzen of waarborgen dat lokale overheden bij overheveling van rijkstaken het beter doen? En wat te denken van het risico dat burgers bij overheveling anders dan nu verschillend behandeld worden? Gevolg van deze vorm van decentralisatie is natuurlijk ook dat burgers en hun vertegenwoordigers minder massaal hun onvrede kunnen uiten en hun invloed afneemt. Een soort verdeel en heerssituatie.
Stelling 4: decentralisatie leidt niet tot betere prestaties en de rijksoverheid gooit de problemen over de schutting van lagere overheden ten koste van burgers.
Een beter presterende overheid is ook een productievere overheid. Door diverse beleidsmakers wordt nogal eens getwijfeld aan de productiviteit van de overheid en haar medewerkers. Sterker nog: deze zou veel lager zijn dan in andere sectoren. Het bekende cliché van de gemakkelijke ambtenaar tegenover de zwoegende werknemer elders. Dit argument speelt ook vaak een rol in de pleidooien voor meer loondifferentiatie tussen de diverse sectoren, uiteraard met de impliciete wens dat het bij overheid wel wat minder mag, onder meer vanwege de daar lagere productiviteit. Marktvergelijking wordt gemakshalve vergeten. Niet door ons, evenmin als het aloude maar nog sterke en actuele principe 'gelijk loon voor gelijk werk'. Dat laten we nooit los. Net zo min als wij niet bereid zijn te denken aan een splitsing in de instituties van onze collectieve arbeidsverhoudingen tussen de collectieve en de andere sectoren.
Is het trouwens wel waar dat het zo droevig gesteld zou zijn met de productiviteit in overheidssectoren? Om te beginnen moet worden opgemerkt dat deze sectoren belangrijk zijn voor onze economie. Zowel qua werkgelegenheid als qua aandeel in volume bruto toegevoegde waarde behoren overheidssectoren tot de drie belangrijkste sectoren van onze economie, samen met de industrie en de financiële en zakelijke dienstverlening. Zeker niet zonder betekenis dus. De arbeidsproductiviteit in ons land is hoog, al blijft de ontwikkeling de laatste jaren achter, wat een punt van aandacht en zorg vergt. Ik wil hierover niet al te veel uitwijden, omdat je aan dit onderwerp een apart symposium zou kunnen wijden. Vanwege o.a. het verschil in kapitaalintensiteit is het niveau van productiviteit in de industrie hoger dan in de overheid, maar bij de overheid niet lager dan bij de zakelijke dienstverlening, een betere vergelijking wellicht. Een uitzondering in positieve zin is wel de sector overheidsbestuur, sociale verzekeringen en defensie, waar de productiviteit op hetzelfde niveau ligt als de industrie en de financiële en zakelijke dienstverlening samen. Internationaal vergeleken staan de Nederlandse overheidssector en haar subsectoren aan of in de top. Qua groei van productiviteit blijft de totale overheid de laatste jaren achter bij de industrie, met name per persoon en minder per uur. Dit beeld zagen we overigens ook in totale financiële sector. Een gunstige uitzondering voor wat betreft groei is wederom het bestuur, de sociale verzekeringen en defensie. Al met al is er dus helemaal geen reden om ons meer dan gemiddeld zorgen over de productiviteit bij de overheid. Dit neemt overigens niet weg dat het beter kan en moet, ook bij de overheid, maar dat geldt voor het hele land.
Stelling 5: de noodzaak van een hogere arbeidsproductiviteit voor een beter presterende overheid kan niet het leidende motief zijn in het programma Andere Overheid.
Het programma Andere Overheid vertoont tekenen van turn-around-programma's zoals we die ook kennen in het bedrijfsleven. Ze zijn omvangrijk en ingrijpend, al zie je dat niet onmiddellijk bij de presentatie. Veel van de consequenties worden immers pas zichtbaar bij de zgn. invulling. Het gaat dan om uitvoeringsmaatregelen van beleid dat in dit geval gebaseerd is op een visie en een summier, wellicht versluierend actieprogramma, die weliswaar t.z.t. voor overleg en advisering in het in- en externe overleg worden voorgelegd, echter zonder raadpleging over de visie en het beleid zelf. De rol van de medezeggenschap wordt dan beperkt tot die van afspraken over herplaatsing en afvloeiing, in plaats van meedenken, alternatieven en meebeslissen. Volgens het actieprogramma Andere Overheid zullen de moderniseringsoperaties leiden tot personeelsverschuivingen en daarmee tot nieuwe tekorten en overschotten. Een visie hoe hiermee om te gaan ontbreekt. Met o.a. de CMHF zal later dit jaar worden overlegd over een protocol inzake herplaatsing en personeelsplanning. Vast staat dat sprake kan zijn van omvangrijke personele gevolgen. In 2002 is de Europese richtlijn informatie en raadpleging tot stand gekomen. Daarbij gaat het o.a. om informatie en raadpleging over de situatie, de structuur en de WAARSCHIJNLIJKE ontwikkeling van de werkgelegenheid, alsmede over eventuele geplande anticiperende maatregelen met name in het geval van bedreiging van de werkgelegenheid. Ook het Aanvullend protocol bij het Europees Sociaal Handvest spreekt in dit verband over het recht op informatie en overleg.
Deze overwegingen brengen mij de zesde en laatste stelling: aard en doelstelling van de medezeggenschap brengen met zich mee dat de OR betrokken hoort te worden bij beleid dat ziet op ontwikkelingen en voortbestaan van dit geval delen van de sector Rijk en de werkgelegenheid.
Tot zover mijn bijdrage voor dit moment. Ik verheug mij op de discussie met u. Dank voor uw aandacht.
|